Naast uitgezette leningen verstrekt Westland uit hoofde van de publieke taak ook borgstellingen op door lokaal actieve instellingen, verenigingen, stichtingen e.d. opgenomen bancaire leningen. Hiermee neemt de gemeente het debiteurenrisico dat de bank loopt over. De gemeentelijke borgstelling zorgt er voor dat instellingen tegen gunstiger voorwaarden (o.a. rente) kunnen lenen dan dat zij dat zelf zouden kunnen. Het beleid ten aanzien van deze zaken is vastgelegd in de Beleidsregels garanties en borgstellingen gemeente Westland. Indien de gemeente leningen verstrekt of waarborgt is daaraan een kredietrisico verbonden, ofwel het risico dat de geldnemer niet meer aan zijn verplichtingen kan voldoen.
We maken onderscheid tussen directe en indirecte borgstellingen.
Bij directe borgstellingen is de garantie direct aan de bank gericht die de lening heeft verstrekt. Wanneer de geldnemer niet betaalt, wordt de gemeente op de garantie aangesproken. Verstrekking van de garanties gebeurt uitsluitend op financiering van maatschappelijke projecten, wanneer het project zonder garantie niet financierbaar is. Bij borgstellingen in de sfeer van sport kan er sprake van zijn dat de Stichting Waarborgfonds Sport (SWS) als mede-borg optreedt. In dat geval wordt het risico gezamenlijk gedragen. Per begin 2026 verwachten we voor directe borgstellingen een stand van € 83,9 miljoen.
Bij indirecte borgstellingen spelen gemeenten, samen met het Rijk, een zogenoemde achtervangrol in de zekerheidsstructuur van een waarborgfonds, bijvoorbeeld het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW). De achtervangpositie houdt in dat gemeenten en Rijk kunnen worden aangesproken indien het fondsvermogen naar aanleiding van een ernstige calamiteit in de corporatiesfeer niet toereikend zou zijn. In dat geval dienen gemeente(n) en Rijk liquiditeit aan het WSW te verstrekken in de vorm van een achtergestelde, renteloze lening. De betrokkenheid van overheden in de achtervang geeft aan banken de overtuiging dat de risico's minimaal zijn indien het WSW een borging afgeeft. Door deze structuur kunnen woningcorporaties die bij het waarborgfonds aangesloten zijn tegen de laagst mogelijke rente lenen. Dit draagt onder andere bij aan een gematigde ontwikkeling van huurprijzen. Mede vanwege de strenge toelatingscriteria en periodieke toetsing door het waarborgfonds loopt de gemeente hierbij een lager risico dan bij directe borgstellingen. Voor indirecte borgstellingen wordt per begin 2026 een stand verwacht van € 178,7 miljoen. Dit bedrag is grofweg de helft lager dan de bedragen zoals genoemd in zowel Programmabegroting 2025 als in het Jaarverslag 2024. De reden daarvoor is als volgt: voorheen werd geredeneerd dat de gemeente bij een calamiteit in de woningsector aan te spreken zou zijn voor 50% van de lopende corporatieschulden. De verliesverdeling is in werkelijkheid echter 50% Rijk, 25% voor de schadegemeente (de gemeente waarin de corporatie zich bevindt waar schade geleden wordt) en 25 % voor de overige gemeenten in Nederland (uit hoofde van solidariteit binnen het stelsel). Dit betekent dat gemeente ingeval een calamiteit bij een Westlandse corporatie slechts voor 25% aangesproken kan worden i.p.v. 50 %. Om die reden is het netto gewaarborgde bedrag lager dan waarvan eerder werd uitgegaan.